Kennelijk onbehoorlijk bestuur
art. 2:248 BW
In faillissement is elke bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is (art. 2:248 BW). Het niet tijdig deponeren van de jaarrekening of het niet voeren van een deugdelijke administratie levert een onweerlegbaar vermoeden van onbehoorlijk bestuur op.